27-11-05

 ZONDAG 27 NOVEMBER 2005: de mascotte van het stadhuis

 

Vandaag neem ik jullie mee naar het stadhuis. Ik hoor je al afkomen: “Zo onvermoed is dat hoekje nu toch niet!”. Inderdaad, het stadhuis is de navel van Kortrijk, staat in alle toeristische publicaties en is het vertrekpunt van de meeste bezoeken. Maar zelfs dat overbekende stadhuis heeft zijn onvermoede hoekjes. Aandacht graag voor de mascotte van het stadhuis, de meest miskende Kortrijkzaan.


Het stadhuis van Kortrijk kende een bewogen geschiedenis. Al ten tijde van de Guldensporenslag (1302) stond daar een 'scepenhuus'. De schepenen zetelden in een huis als een ander, dat veel kleiner was dan het huidige stadhuis. In 1382 brandde de stad af en dus ook dat schepenhuis. In 1417-1420 werd een groter schepenhuis gebouwd in hooggotische stijl. Architect was Simon van Assche van Gent. In 1519 werd het stadhuis uitgebreid kant Rijselsestraat, en in 1616 aan de andere kant tot op de hoek van de Leiestraat. Na de Franse revolutie kreeg het stadhuis een classistische gevel, maar in 1856 brak men die gevel af om hem te vervangen door iets wat van ver geleek op de eerdere, middeleeuwse gevel (architect Croquison). De bombardementen van de tweede wereldoorlog spaarden die voorgevel niet. Op basis van de plannen van 1616 (architect Robert Persyn) werd de gevel nogmaals gerestaureerd, maar nu met wat meer eerbied voor de authenticiteit. In 1962 werd het gerestaureerde stadhuis ingehuldigd in aanwezigheid van de koning.

Aan de achterzijde van het stadhuis zijn al die verbouwingen niet zo doortastend geweest. Op de koer (meestal toegankelijk overdag) kun je overblijfselen bewonderen van alle bouwperiodes en zelfs van bepaalde huizen die ingenomen werden bij uitbreidingen.Aan de achterkant van het stadhuis was er ook eeuwenlang een tuintje. Het lapje grond tussen hoge muren lag te verkommeren en dreigde een klein stort te worden. Onder burgemeester de Bethune (1994-2000) is daar een veranda gebouwd, de Beatrijszaal genoemd en in gebruik als receptieruimte. Daar is een prachtige bakstenen achtergevel uit 1519 (laatgotiek-renaissancestijl) te bewonderen.

In die gevel zijn de ramen van de oude Schepenzaal en de oude Gemeenteraadszaal gevat in drie spitsbogen. Welnu, de rechterspitsboog wordt bekroond door een klein mannetje in Balegemse zandsteen. Je moet het zoeken, want het is niet groot. Dat klein mannetje maakt met beide wijsvingers en zijn mond een zeer expressief gebaar, dat wellicht een schunnige betekenis had. Het is het enige beeld dat in die achtergevel is verwerkt. Wat heeft het te betekenen? Niemand kan het mij zeggen. Er bestaat, naar mijn weten, geen literatuur over. Dat maakt de weg vrij voor allerlei veronderstellingen. Daar ga ik nu eens schaamteloos misbruik van maken.

Dexecutie

Het mannetje van 1526, aan de buitenkant van het schepenhuis, heeft misschien iets te maken met wat toen aan de binnenkant gebeurde. De schepenen van Kortrijk waren in die periode in de eerste plaats rechters en pas in de tweede plaats bestuurders. Door recht te spreken, legden zij regels vast die golden in de stad. En regels vastleggen, is al te veel gezegd: zij vroegen zich iedere keer af wat de gewoonte was die geldig was in een bepaald conflict tussen stadsbewoners. Uiteraard moesten zij die gewoonte soms ver gaan zoeken en kwam het erop neer dat zij een nieuwe regel uitvonden gebaseerd op hun rechtvaardigheidsgevoel of ... op de overheersende belangen van het moment.

Verschillende versierselen binnenin het stadhuis (vroeger schepenhuis) dateren uit die tijd en hebben zonder meer te maken met de functie van rechtbank. Zo vind je op de laatgotische schouw van de schepenzaal op de gelijkvloerse verdieping twee intrigerende taferelen. Rechts staan twee mannen te vechten voor een schat. Zoals in een stripverhaal kun je lezen wat zij mekaar toeroepen. “Es myn alleene” zegt een soldaat ('dat is van mij'). Waarop een edelman antwoordt: “Es ghemeene” (''t is van iedereen”, maar als een edelman dat zegt, bedoelt hij waarschijnlijk dat hij er wel voor zal zorgen...). Maar het Recht komt er tussen en zegt: “Es om elc te besceene” ('dat moeten wij voor ieder uitmaken').

Op de linkerzijkant van de schouw staat er een ander tafereel uitgebeeld, eentje om de kemphanen te kalmeren door de wereldse twisten te relativeren. Pietje de Dood richt er een lans op een edelman met de spreuk: “Esser dach noch appeel dexecutie comt up hu gheheel” ('noch dagvaarding noch beroep kunnen u van de executie – iedereen moet sterven – redden').

Ondeugd en ontucht

Nog indrukwekkender is de laatgotische schoorsteen in de zaal boven de oude Schepenzaal op de eerste verdieping. Geweld en ondeugd, ontucht en bedrog staan hier in zeer realistische tafereeltjes gebeeldhouwd in zandsteen. Alles was zogezegd bedoeld om de schepenen-rechters en de rechtzoekenden tot een deugdzame houding aan te sporen, maar de kunstenaars hebben zich hier eens goed laten gaan.

Zo zie je op de onderste rij van de schouw een chic geklede man een dolk in zijn hart steken: zelfmoord na wangedrag. Overspel wordt levendig uitgebeeld door duivels die mekaar een verdoemde vrouw betwisten. Dat de geest van de tijd niet meer zo onderdanig was als in de vorige eeuwen (verderop in de zestiende eeuw kwam de opstand van de geuzen), zie je in het uiterst linkse tafereeltje: de ondeugd van afgodendienst wordt uitgebeeld door een prins die vereerd werd als een god op een pilaar.

In de rij daarboven worden de ondeugden gesymboliseerd door vrouwfiguren gezeten op allerlei dieren Zo berijdt madam Gierigheid een nijlpaard. Ik snap het verband niet. Explicieter is de ondeugd Onkuisheid, die zich de borsten laat betasten, gezeten op een bok. De schouw wordt bekroond door een in eikehout gesneden rij deugden. Het zal de milieuactivisten plezier doen als ze merken dat de Zuiverheid wordt uitgebeeld door een vrouw met een salamander in haar hand. Als water vervuilt, zijn salamanders en kikkers ook nu nog het eerste slachtoffer.

In 't verderf

Nog bonter maakten het de kunstenaars die het plafond van de zaal op het eerste versierden. Er zijn acht fel gekleurde houtsnijwerken aangebracht die de schepenen moesten waarschuwen tegen het risico dat een al te vrije omgang met vrouwen hen in het verderf zou kunnen storten.

Zo wordt de beroemde filosoof Aristoteles, leraar van Alexander de Grote, publiekelijk bereden (letterlijk uitgebeeld, hoor!) door de Indische schone Campaspe. Als je het mij vraagt, ziet de Griekse filosoof er niet zo ongelukkig uit. Elders wordt Loth verleid door een van zijn dochters; incest werd toen blijkbaar in de schoenen van het slachtoffer geschoven. In een vermakelijk tafereeltje zit Hercules te spinnen tussen vrouwelijke hofdames; niet toevallig zitten eronder twee narren elkaar te kussen. Ik denk niet dat holebi's het toen gemakkelijker hadden dan vandaag. Vrouwen trouwens ook niet; je zal maar uitgebeeld worden als het zinnebeeld van alle kwaad.

Foert

Eigenlijk is het merkwaardig dat de verdorvenen in al die symboliek worden uitgebeeld door personages uit de hogere kringen. Heel erg gezagsgetrouw moeten de kunstenaars (of zijn het de opdrachtgevers?) niet geweest zijn. De dubbele bodems liggen er vingerdik op. Centraal op de schoorsteen in de zaal op het eerste staat weliswaar Keizer Karel, de toenmalige vorst. Maar dat is daar geplaatst van moetens na een opstand (samen met Gent) tegen het keizerlijk gezag in 1539. De keizer is overigens op hetzelfde niveau opgesteld als de ondeugden.

Misschien beeldt onze mascotte wel een algemene foert uit tegen een bestuur en een gerecht dat niet meer als rechtvaardig werd ervaren. Ik kan mij in elk geval inbeelden dat veroordeelden troost vonden bij een mannetje dat de hele wereld zijn lelijkste gezicht liet zien. Wie er meer over weet en het mij laat weten, krijgt een vermelding op deze blog.

Het stadhuis van Kortrijk is overdag veelal toegankelijk. Maar voor deskundige uitleg over de schouwen en het overige interieur en gevels van het stadhuis, contacteer je het beste een stadsgids.




20:56 Gepost door Marc Lemaitre | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.